Waarom Brazilie

Hoe ik tot dit werk gekomen ben…

Werkvakantie 2007

Eind 2006 werd ik gevraagd of ik zin had om mee te gaan op een werkvakantie naar Brazilië. ‘Tuurlijk, waarom niet?’, dacht ik en zo ben ik in de zomer van 2007 voor een werkvakantie in Brazilië geweest. Daar heb ik het werk van REMER leren kennen. Twee  weken heb ik gewerkt op de opvangboerderij Sítio Shalom in  Pequeri. Ook ben ik een week in Rio de Janeiro geweest en heb  daar zelf gehoord en gezien, hoe het leven is op de straat en in de favela’s (krottenwijken). Het leven daar wordt getekend door drugs en geweld. En dan de straatkinderen… Vergeten, bedreigd, vertrapt, uitgespuugd door de samenleving. Kinderen met zoveel angst, haat, verdriet, honger, trauma’s. Kinderen, die bezig zijn met overleven. Het heeft erg veel indruk gemaakt. Geweldig om dan te zien hoe de mensen van REMER zich inzetten om deze kinderen van de straat te halen, liefde te geven en weer kind te laten zijn!

Half jaar 2009

Tijdens de werkvakantie vroeg iemand: ‘Zou jij hier niet een half jaar vrijwilligerswerk willen doen, dat vind ik echt iets voor jou!’ Mijn antwoord was meteen: ‘Nee hoor, waarom? Ik heb een leuk huisje, een fijne baan, ik vermaak mij prima. Mijn leventje is in Reeuwijk.’ Maar terug in Nederland liet het werk van REMER mij niet los. Ik heb zeker een maand lang elke nacht gedroomd over straatkinderen (op een positieve manier). Langzaam aan kwam het idee: ik zou wel terug willen. Ik heb veel nagedacht en gebeden en na diverse toevalligheden (toeval = God Incognito!) wist ik: ik moet terug. Van januari tot juli 2009 heb ik toen als vrijwilliger gewerkt bij REMER op Sítio Shalom (check de verhalen op http://jacolinegroenendijk.waarbenjij.nu/ )
Ik heb een geweldige fijne tijd gehad op de Sítio en ook veel indrukken op gedaan in Rio de Janeiro. Vooral het straatwerk en Casa Betânia maakte indruk. Ik heb wel eens gedacht: ‘Als ik Braziliaan was zou ik best in Casa Betânia willen werken! Maar ja, dat kan ik niet, als Nederlander. Te moeilijk, te gevaarlijk, dat kan ik niet aan…’
Een paar belangrijke zaken die ik in Brazilië  geleerd heb:
Er is hoop voor een kind! Er is hoop voor dat straatkind, die uiteindelijk toch kiest om van de straat komen. Hoop voor het kind, dat stil en bedrukt op de Sítio aankomt en een paar dagen later zijn plekje al heeft gevonden en zit te lachen en te spelen.
Zolang je blijft geloven dat er hoop is voor een kind, kun je ook blijven knokken voor kinderen in ronduit hopeloze situaties.
Respect hebben. Ik heb respect gekregen voor de kinderen, die ondanks alle ellende, iets van hun leven willen gaan maken. Maar vooral ook voor de medewerkers, die zich inzetten voor deze ‘vergeten groep.’ Respect voor hen die de (straat)kinderen omhelzen, ze laten zien dat ze waardevol zijn, ze liefde geven en hen opvoeden. Respect voor álle medewerkers van REMER: van de president tot de kokkin, van de klusjesman tot de coördinatrice.
Gods liefde is de basis. Eén van de dingen die mij het meest opviel bij het werk van REMER is de grote liefde. De liefde van de medewerkers van REMER voor de kinderen. Ze willen Gods liefde aan de kinderen geven. Of men nu direct met de kinderen werkt of er iets verder van afstaat. Kinderen die vaak niet weten wat liefde is, worden opgevangen in de liefdevolle armen van de medewerker van REMER. De kinderen leren: ‘God houd van je, wij houden van je! Je bent geliefd!’

En dan nu…

Na het half jaar in Brazilië, kwam ik weer thuis en was ik erg onrustig: ik moest weer acclimatiseren, maar had ook sterk de gedachten: ‘Ik kan daar veel betekenen, ik wil terug! Maar ja, voor langere tijd terug gaan is wel even iets anders dan een half jaar er tussen uit. Stel dat ik langere tijd terug ga, dan moet ik mijn (vertrouwde) leventje hier opgeven. Ik weet niet of ik dat wel kan/ wil.’
Ik heb er veel over nagedacht en gebeden. Op een avond was ik op een bijeenkomst en werd er gevraagd om mee te zingen. De tekst was: ‘Heer, ik wil U volgen…’

Leid mij Heer 
De eerste stap is moeilijk als je de weg niet kent.
Alles is onzeker, de toekomst onbekend.
Maar toen U mij beloofde om met me mee te gaan,
ben ik in vertrouwen toch op weg gegaan.

Leid mij, Heer, ik wil volgen,
leid mij Heer, ik wil gaan.
Want U riep mij om op weg te gaan,
leid mij Heer, ik zal gaan.

De plannen voor mijn leven, die zijn bij U bekend.
Ik hoef dus nooit meer bang te zijn, omdat U bij mij bent.
U pakt mijn hand en leidt mij en laat mij nooit alleen,
Uw liefde en genade zijn altijd om mij heen.

Leid mij, Heer, ik wil volgen,
leid mij Heer, ik wil gaan.
Want U riep mij om op weg te gaan,
leid mij Heer, ik zal gaan.

Ik wilde eerst niet meezingen, want ik dacht: ‘Als ik dit meezing, moet ik ook bereid zijn om te volgen, ook als Hij mij weer naar Brazilië roept.’ Toch gaan meezingen en met tranen in mijn ogen wist: ‘Ja, Heer ik wil U volgen.’ Sinds dat besluit, wist ik: Ik ga terug naar Brazilië. Wel had ik een ‘mits’ ingebouwd: ik ga terug, mits er werk is dat bij mij past, met genoeg inhoud en uitdaging op mijn vakgebied.’
Toen kwam het idee van de crackboerderij op mijn pad, precies wat aansloot bij mijn ‘mits’. Ik heb een gesprek met Robert hierover gehad en gezegd dat ik wilde komen. Sindsdien ervaar ik ineens een rust… Ik kan mijn pad hier weer vinden, weer zin in mijn werk enzo, gewoon omdat ik weet: het is goed, ik ga terug…
Zo is alles in werking gezet en ben ik mij gaan richten op de crackboerderij. Tot ik eind maart een telefoontje kreeg van Robert: de crackboerderij gaat niet door, maar we zouden graag willen dat je in (nova) Casa Betânia zou komen werken. Wil je dat nog? Ja, ik wil dat! Ondanks de gedachten over veiligheid en de problemen die ik ga tegenkomen: ja, ik wil deze weg gaan.
En zo kom ik straks op de plek waarvan ik toen dacht: hier zou ik willen werken…
Ik zie hierin ook echt de hand van God, die mij leidt en mij op deze manier weer naar Brazilië brengt.
Mijn hart ligt daar, er ligt een taak en ik voel me geroepen om dit werk te gaan doen!

Comments are closed.